In Suriname bestaat een rijke traditie van kleding die sterk verbonden is met de verschillende culturele groepen en de geschiedenis van het land. Vier bekende kledingstukken zijn de koto, angisa, kimona en pangi. Elk heeft zijn eigen betekenis en oorsprong.
De koto is een traditionele kledingdracht van Afro-Surinaamse vrouwen, vooral binnen de Creoolse gemeenschap. Het is een wijde jurk met meerdere lagen stof en vaak een grote rok. De jurk wordt meestal gedragen met een hoofddoek (de angisa). De koto ontstond in de koloniale tijd. Volgens sommige verhalen werden de wijde vormen beïnvloed door kledingregels die vrouwen moesten volgen, maar later werd het juist een symbool van trots en identiteit. Tegenwoordig wordt de koto vaak gedragen bij feestelijke gelegenheden zoals Keti Koti (de viering van de afschaffing van de slavernij).
De angisa is de traditionele hoofddoek die bij de koto wordt gedragen. Het bijzondere is dat de manier van vouwen een boodschap kan betekenen. Verschillende vouwstijlen hebben namen en betekenissen, bijvoorbeeld: Ik ben boos Ik ben verliefd Praat niet achter mijn rug De angisa was vroeger een vorm van communicatie, vooral in tijden waarin mensen niet altijd vrij konden spreken.
De kimona (niet te verwarren met de Japanse kimono) is een losse, eenvoudige jurk die in Suriname vaak thuis of informeel werd gedragen. De kimona is meestal gemaakt van lichte katoenen stof. Het is een comfortabele huisjurk die populair was bij vrouwen in verschillende bevolkingsgroepen. Soms werd de kimona ook gebruikt als onderkleding onder een koto.
De pangi is traditionele kleding van Marrons (afstammelingen van gevluchte tot slaaf gemaakte Afrikanen in het binnenland van Suriname). Het is een rechthoekige lap stof met kleurrijke patronen. Mannen dragen de pangi vaak om de heupen als een soort omslagdoek. Vrouwen gebruiken de pangi ook als rok, doek of om spullen of een kind te dragen. De patronen en kleuren kunnen culturele of familiebetekenissen hebben.